Oefen je grammatica voor de toets Unit 4 klas 2 blue label

Oefenen met will, won’t en shall, shan’t

Oefenen met de gerund (going)

Oefenen met who, which of geen betrekkelijk voornaamwoord 

  • oefening 1: invuloefening met who of which
  • oefening 2: invuloefening met who of which
  • oefening 3: verbind de juiste zinnen met elkaar
  • oefening 4: multiple choice oefening waarbij je moet beslissen of je who of which kunt weglaten of niet
  • oefening 5: verschillende oefeningen met who, which, that of geen betrekkelijk voornaamwoord
  • oefening 6: verschillende oefeningen met who, which, that of geen betrekkelijk voornaamwoord

Oefenen met myself, yourself, himself, herself, itself, ourselves, yourselves, themselves

Oefenen met de plaats van het bijwoord dat aangeeft hoe vaak iets gebeurt (frequentie) zoals always, never, usually, still, etc

  • oefening 1: herschrijf zinnen met het bijwoord op de juiste plek
  • oefening 2: zet woorden in de juiste volgorde door te klikken.
  • oefening 3: drie invuloefeningen: herschrijf zinnen met de bijwoord op de juiste plek, verbeter foute zinnen en plaats woorden in de juiste volgorde.
  • oefening 4: twee spelletjes over bijwoorden, 1 over de betekenis van bijwoorden, 1 over de woordvolgorde van het bijwoord.
  • oefening 5: twee invuloefeningen: Plaats de bijwoorden op volgorde van frequentie (hoe vaak iets voorkomt) en herschrijf zinnen met de bijwoord op de juiste plek

Oefenen over de vorm van het bijvoeglijke naamwoord en het bijwoord 

  • oefening 1: spel waarbij je het bijwoord moet herkennen
  • oefening 2: invuloefening waar je het bijwoord moet herkennen
  • oefening 3: invuloefening waar je het bijwoord moet herkennen
  • oefening 4: invuloefening over de vorm van het bijvoeglijke naamwoord en bijwoord
  • oefening 5: invuloefening waarin je een bijwoord van een bijvoeglijk naamwoord maakt
  • oefening 6: invuloefening waarin je een bijwoord van een bijvoeglijk naamwoord maakt

Oefen je woordjes met de gecontroleerde WRTS-lijsten van ThiemeMeulenhoff.