Oefen je grammatica voor de toets Unit 5 klas 2 blue label

Oefenen met (on)regelmatige werkwoorden in bevestigende, vragende en ontkennende zinnen in de Simple Past

  • oefening 1: maak bevestigende zinnen met de Simple Past
  • oefening 2: maak ontkennende zinnen met de Simple Past
  • oefening 3: maak vragende zinnen met de Simple Past
  • oefening 4: verschillende oefeningen met de Simple Past
  • oefening 5: invuloefening met (on)regelmatige werkwoorden in bevestigende, vragende en ontkennende zinnen in de Simple Past.

Oefenen met de vorm van de Past Continuous (I was going)

  • oefening 1: invuloefening met vragende zinnen in de past continuous
  • oefening 2: verschillende oefeningen met de past continuous
  • oefening 3: invuloefening met bevestigende zinnen in de past continuous
  • oefening 4: invuloefening met ontkennende zinnen in de past continuous
  • oefening 5: verschillende oefeningen met de past continuous

Oefenen met de Present Perfect (I have gone)

  • oefening 1: invuloefening met bevestigende zinnen in de Present Perfect
  • oefening 2: invuloefening met vragen, ontkenningen en bevestigende zinnen in de Present Perfect
  • oefening 3: invuloefening met vragen, ontkenningen en bevestigende zinnen in de Present Perfect
  • oefening 4: multiple choice oefening met have of has
  • oefening 5: maak bevestigende zinnen in de Present Perfect
  • oefening 6: zet de Simple Present om in de Present Perfect

Oefenen met would en wouldn’t

  • oefening 1: multiple choice oefening met would like
  • oefening 2: invuloefening waarin je de zinnen moet herschrijven met would

Oefenen met de plaats van het bijwoord dat aangeeft hoe vaak iets gebeurt (frequentie) zoals always, never, usually, still, etc

  • oefening 1: herschrijf zinnen met het bijwoord op de juiste plek
  • oefening 2: zet woorden in de juiste volgorde door te klikken.
  • oefening 3: drie invuloefeningen: herschrijf zinnen met de bijwoord op de juiste plek, verbeter foute zinnen en plaats woorden in de juiste volgorde.
  • oefening 4: twee spelletjes over bijwoorden, 1 over de betekenis van bijwoorden, 1 over de woordvolgorde van het bijwoord.
  • oefening 5: twee invuloefeningen: plaats de bijwoorden op volgorde van frequentie (hoe vaak iets voorkomt) en herschrijf zinnen met de bijwoord op de juiste plek

Oefenen met de vorm van het bijvoeglijke naamwoord en het bijwoord 

  • oefening 1: invuloefening waar je het bijwoord moet herkennen
  • oefening 2: invuloefening waarin je een bijwoord van een bijvoeglijk naamwoord maakt
  • oefening 3: invuloefening waarin je een bijwoord van een bijvoeglijk naamwoord maakt

Oefenen met de plaats van het bijwoord van tijd en plaats

  • oefening 1: sleep woorden en zinnen op hun juiste plek
  • oefening 2: invuloefening met het bijwoord van plaats en tijd
  • oefening 3: invuloefening met het bijwoord van plaats en tijd

Oefenen met de verleden tijd en het voltooid deelwoord (go-wentgone) van onregelmatige werkwoorden in een zin.

Dit zijn niet altijd de onregelmatige werkwoorden die je voor de toets moet leren, maar je oefent wel de vorm.

  • oefening 1: multiple choice oefening met de verleden tijd en het voltooid deelwoord
  • oefening 2: multiple choice oefening met de verleden tijd en het voltooid deelwoord
  • oefening 3: invuloefening met de verleden tijd en het voltooid deelwoord

Oefen je woordjes met de gecontroleerde WRTS-lijsten van ThiemeMeulenhoff.